Op het hoesje van ‘CuCuland’ van Cucu Diamantes is een ravissante, donkerharige schone te zien, die op een oude sofa in een jugendstil-achtig decor heel burleske ligt te zijn. Ik verwachtte dan ook een soort tja… broeierige nachtclubmuziek voorgeschoteld te krijgen, inclusief een hoop ge-oeh en ge-aah.
In plaats daarvan bleek het om het solodebuut te gaan van Cucu Diamantes, de zangeres van Yerba Buena, een invloedrijke fusionband uit New York. Om eerlijk te zijn: ik had er nog nooit van gehoord. En ik heb zo het vermoeden dat het soloproject van Diamantes ook gelijk het einde van Yerba Buena inluidt.
‘CuCuland’ laat zich beluisteren als een enthousiaste kruisbestuiving tussen rock, soul, disco, reggae, merengue, dance en Mexicaanse ranchera. Diamantes zingt en rapt in het Spaans en het Engels - soms in beide talen tegelijk. En dan krijg je dus een soort intrigerend 'Spanglish': Sigo estando crazy, sigo estando free – ‘Ik ben nog steeds gek, ik ben nog steeds vrij’.
De teksten gaan over (verloren) liefdes en het al dan niet vrijgevochten leven als latina. Het klinkt allemaal bijzonder aanstekelijk, met tussen de regels door af en toe een Lady Gaga-achtig dance-motiefje ('Still in Love'), wat gescratch en knipogen naar het blingbling r&b-genre (zoals in bijvoorbeeld 'Show Me The Money Papi'). De productie van Andres Levin (het brein achter Yerba Buena) en Yotuel Romero van de Cubaanse rapgroep Orishas is lichtvoetig, maar soms wel heel erg gladgestreken en commercieel.
Maar ach, het is nog een kleine twee maanden zomer en je moet wel een heel herfstig type zijn als de vrolijke en exotische urban-latin van ‘CuCuland’ niet zorgt voor tenminste een glimlach en de onweerstaanbare behoefte aan een tropische coktail…
Een van de meest eigenaardige filmgenres is de kannibalenfilm, vooral erg populair in de jaren zeventig. In de meeste gevallen gaat het om films waarin een groep (Amerikaanse) wetenschappers zich in een of andere exotische jungle waagt, op zoek naar de 'laatst overgebleven kannibalenstam'.
Vanzelfsprekend komen ze een dergelijke stam op het spoor en blijkt er van onderzoek weinig terecht te komen. De groep wordt gevangen genomen, gemarteld en uiteindelijk op gruwelijke wijze vermoord, waarbij vaak de vrouwelijke hoofdpersoon erin slaagt te ontsnappen - of juist nét niet. De kijker wordt getrakteerd op de nodige ranzigheid: verminkingen, het eten van ingewanden, het afslachten van levende dieren en zogenaamd erotische scènes. Pulpregisseurs als Ruggero Deodato, Joe d'Amato en Jess Franco leefden zich uit in een groot aantal waanzinnige films, met als 'hoogtepunt Deodato’s 'Cannibal Holocaust' uit 1980, misschien wel een van de meest nare en verontrustende films ooit gemaakt.
'Cannibal Holocaust' zorgde voor de nodige ophef, vooral omdat veel mensen dachten dat het echt was. Centraal staat namelijk een in de jungle teruggevonden videoband, met daarop schokkende opnamen van een wetenschappelijke zoektocht naar kannibalistische stammen in het Amazonegebied - een missie die uiteraard slecht is afgelopen. De beelden worden aan elkaar gepraat en zogenaamd van deskundig commentaar voorzien door hoogleraar antropologie Harold Monroe (Robert Kerman), waardoor het er allemaal bijzonder realistisch uitziet.
Zo realistisch zelfs dat Deodato werd gearresteerd op verdenking van moord op de vier hoofdrolspelers. De rechter raakte pas overtuigd van Deodato's onschuld toen de regisseur de acteurs Carl Gabriel Yorke, Francesca Ciardi, Perry Pirkanen en Luca Barbareschi optrommelde en uitlegde hoe hij de gruwelijke sterfscène van Luca (die gespietst werd aan een grote paal) had gefilmd. Deodato werd vanzelfsprekend vrijgesproken, hoewel dierenactivisten hem nog altijd de vele expliciete en bloederige wreedheden jegens dieren kwalijk nemen. 'Cannibal Holocaust' werd verboden in Australië, Engeland, Noorwegen, Finland en Nieuw-Zeeland (en werd in Nederland geschikt bevonden voor zestien jaar en ouder). Ik kan hier nu wel een heel stuk gaan zitten tikken, maar dan zou ik eigenlijk deze uitgebreide en verhelderende Wikipedia-pagina nog eens dunnetjes overdoen en dat is natuurlijk niet de bedoeling.
Voor de begeleidende muziek schakelde Deodato de eveneens Italiaanse componist Riziero 'Riz' Ortolani in, en dan vooral vanwege diens werk voor de pseudo-documentaire 'Mondo Cane' (waarvoor hij een Grammy kreeg). De 'Cannibal Holocaust'-soundtrack ademt een typische jaren zeventig-sfeer, waarbij Ortolani zo te horen een vrij karig budget tot zijn beschikking had.
De soundtrack telt tien tracks en trapt af met het zoetsappige 'Cannibal Holocaust - Main Theme', dat niet zou misstaan in een soft-erotische film als 'Bilitis'. Gelukkig maakt het daaropvolgende 'Adulteress' Punishment' (met primitieve Commodore 64-geluidjes en dreigende aanzwellende violen) een hoop goed. 'Cameramen’s Recreation' is dan weer typische jaren zeventig-disco, met een lullig Klaus Wunderlich-orgeltje. De vervreemding slaat weer toe in 'Massacre Of The Troupe', waarna het hoofdthema terugkeert in het royaal met violen besprenkelde James Last-achtige 'Love with Fun' - dat na een minuut of twee bruut de nek om wordt gedraaid met surrealistische hakgeluiden.
Het melancholische 'Crucified Woman' vormt de opmaat naar het funkyknullige 'Relaxing In The Savana'. Na het unheimische 'Savage Rite' mag er weer geswingd worden met het verrassend jazzy 'Drinking Coco'. 'Cannibal Holocaust - End Titles' begint weliswaar met de inmiddels bekende synthetische hakgeluiden, maar na een paar seconden stroomt het zoete thema als bloederige stroop je speakers uit - een mooi besluit van een redelijk eigenaardige soundtrack…
Een paar weken geleden las ik een wat ouder nummer van het Amerikaanse muziekvakblad Billboard, toen ik tot mijn grote verbazing én bewondering op een 21 pagina’s tellende André Rieu-special stuitte. De Limburgse violist werd pagina na pagina enthousiast bewierookt, waarbij de schetterende loftrompetten niet van de lucht waren en tal van kleurrijke advertenties zijn eer bezongen.
Nu heb ik met zijn muziek niet zo heel veel, maar ik heb wél ontzettende bewondering voor de manier waarop Rieu zich de afgelopen jaren onvermoeibaar op de kaart heeft gezet, waarbij hij bovendien alles strak in de hand en in eigen beheer houdt - met als voorlopig hoogtepunt de gigantische replica van het Weense slot Schönbrunn, waarmee hij over de wereld toert en moeiteloos gigantische stadions in Amerika en Australië uitverkoopt.
En ook in Nederland is de status van André Rieu zo groot dat hij eisen kan stellen, die eigenlijk nogal buitensporig zijn. Zo gaf Rieu twee weken geleden een aantal concerten aan het Vrijthof in Maastricht. En als André een concert geeft, neemt hij geen halve maatregelen: het hele Vrijthof werd afgesloten en alle terrasjes, cafeetjes en zelfs de McDonalds waren niet toegankelijk als je geen kaartje had. Enkele uren voordat het concert zou beginnen, nam Rieu alvast de aankondigingen in het Duits en Engels op - die zouden er laten tussen worden gemonteerd voor de (bijzonder professionele) concertregistraties bestemd voor Duitsland en de bioscoopvertoningen in Australië. Respect!
Ook popjournalist Leon Verdonschot kijkt vol bewondering toe hoe de Limburger de wereld verovert. In een column (annex brief aan André Rieu) voor Nieuwe Revu schrijft hij: ''Ik stond ooit in een cd-zaak in Milwaukee en daar had u uw eigen vakje. Dan ben je er wel. Ik keek toen naar al die hoesjes van u, en dacht: allemaal zelf gedaan, zelf verdiend, onder uw eigen rare voorwaarden. Eigenlijk is dat de essentie van punk. En bent u dus wat Nigel Kennedy had willen zijn: de grootste punker ter wereld, met een viool.''
Er bestaat kennelijk zoiets als een 'goede muzieksmaak'. Of, beter geformuleerd: 'een muzieksmaak die stilzwijgend door iedereen als goed wordt beschouwd'. Of, weer anders gezegd: 'verantwoorde muziek waar je mee voor de dag kunt komen'.
Dat bepaalde artiesten worden beschouwd als 'goed' heeft vooral te maken met de invloed van zogenaamd toonaangevende media en critici. Ik zou niet direct willen zeggen dat iedereen elkaar maar achterna holt en van de ene hype in de hype in de andere duikelt, maar - ach, eigenlijk wil ik dat wel gewoon zeggen. Interessanter is het om juist te kijken naar een 'slechte' smaak.
Velen verwarren een 'slechte smaak' met een 'foute smaak', hoewel ook dit begrip aan inflatie onderhevig is. Radiozender Q-Music timmert bijvoorbeeld aan de weg met talloze 'foute verzamelaars', waarop je suf gedraaide hits van onder meer Modern Talking, Village People en Marianne Rosenberg aantreft. Leuk natuurlijk, maar fout? Deze nummers vallen eerder in de categorie 'o dit vond ik vroeger zo leuk, maar daar kan ik nu met goed fatsoen niet meer mee aankomen, maar als ik nu zeg dat het cult is, dan heb ik een excuus om ongegeneerd mee te zingen.' Een verkapte vorm van jeugdsentiment dus.
Een slechte muzieksmaak bestaat niet. Hooguit een 'andere' smaak - hoewel het verleidelijk is om een smaak die mijlenver van die van jou is verwijderd met de nodige minachting te behandelen. Om nog maar te zwijgen van het op de loer liggende snobisme...
Een van mijn buren een paar huizen verderop is bijvoorbeeld een enthousiast en openlijk liefhebber van hardhouse (beter bekend als gabber), die hij afwisselt met Nederlandstalige meedeinmuziek van onder anderen Peter Beense, Frans Duijts en Wolter Kroes. Natuurlijk, als hij het weer eens op zijn heupen krijgt (en dat komt gelukkig slechts sporadisch voor), rol ik met mijn ogen als mijn Haydn-strijkkwartetten rücksichtslos overstemd worden door gebeuk, geknars of langgerekte Jordanese uithalen. En vanzelfsprekend denk ik dan: sjesses, wat een infantiele muziek. Maar andere kant: als die Gabber Piet daar blij van wordt, prima toch?
Je zou een betoog kunnen voeren over de intentie van muziek of over het feit dat voor sommigen muziek vanzelf slecht wordt als iedereen het leuk vindt, maar da's weer een heel ander verhaal. Een muzieksmaak kan rijpen, een andere richting inslaan of juist stollen, maar hij is van origine neutraal. Het is net zoals bij de chaostheorie: alleen al door waar te nemen verander je het waargenomene. En als je het hebt over muziek, is het ook nog van belang wie waarneemt...
Als je als buitenlandse artiest in Nederland optreedt, kan het geen kwaad om een handvol Nederlandse woordjes in te studeren om het ijs te breken. Het zou nog mooier zijn als de artiest in kwestie zou uitbarsten in bijvoorbeeld 'Dromen zijn bedrog' of 'Heb je even voor mij', maar die kans lijkt me klein.
Of je moet natuurlijk James Last heten. Of, in dit geval, Werner Last (1926-1982, beter bekend als Kai Warner). Hoewel hij altijd in de schaduw van zijn oudere broer James heeft gestaan, was Kai Warner behoorlijk succesvol. Hij heeft meer dan zestig albums uitgebracht, schreef filmmuziek en ontpopte zich tot producer en ontdekker van jonge schlagerartiesten. In de jaren zeventig gingen zijn 'Go In'-platen (vrolijke dansmuziek bedoeld voor beschaafde mensen op beschaafde feestjes) massaal over de toonbank.
In een poging om net zoals zijn broer James (die in 1969 met 'James Last op klompen' op de proppen kwam) vaste voet te krijgen aan Nederlandse wal, bracht hij in 1971 de lp 'Met de postkoets door Nederland' uit. Polydor had grootse verwachtingen; op de hoes is ronkend te lezen: ''De fijnste dansplaat van het jaar 1971... heeft u nu vast!''
In de bekende Last-traditie neemt Kai 28 Nederlandse evergreens onder handen en poetst hij alles rimpelloos glad. In de woorden van ene Frits Versteeg (die een heel verhaal op de hoes mocht schrijven): ''Dansmuziek, wat opgepept naar de beat van de jaren '70, maar waarin melodie, ritme en romantiek een toch nog steeds niet te scheiden trio vormen.'' En dat betekent dus fijn schetterende trompetjes en de gezellig hummende Kai Warner Singers. Ik vraag me af of deze lp eigenlijk wel zo'n groot succes was. Zelfs in 1971 waren liedjes als 'Op de woelige baren', 'De postkoets' en 'Bloesem van seringen' (en verder veel Ramblers-covers) toch al behoorlijk oubollig.
Hoe het ook zij, 'Met de postkoets door Nederland' klinkt op een vreemde manier bijzonder gezellig en bijna manisch opgewekt. Luister naar een uitmuntende vinyl-rip (256 kbps, 67 MB, inclusief hoezen. En om Frits Versteeg nog een keer te citeren: ''Kai Warner go in? In elk geval go ahead met deze vorstelijke langspeler!''